Hoewel onze natuur is dat we graag vanuit ons hart geven en ons verbinden met anderen, zorgt taal en de manier waarop we communiceren juist voor het tegenovergestelde: afstand en onbegrip, verharding in onze eigen oordelen en gelijk willen hebben. Taal zit vol met oordelen. We gebruiken vaak woorden die niet zozeer aangeven hoe wij ons voelen, maar meer hoe we het gedrag van anderen interpreteren. We zeggen bijvoorbeeld dat we ons genegeerd, bedrogen, niet gehoord, over het hoofd gezien, overvraagd, etc voelen. Elke keer dat we zo’n term gebruiken, leggen we voor de ander juist een drempel neer in plaats van een kans tot verbinding. Taal kán meer kapot maken dan je lief is.

Maar ja, taal is taal en die gebruiken we elke dag. Dus, hoe willen we ons dan toch verbinden met anderen, als we gebruik maken van taal?

Het boek “Geweldloze communicatie” van Marshall Rosenberg gaat over het effect van taal en communicatie op wat we voelen en doen. Daarin stelt hij dat we niet zozeer moeten focussen op die taal, maar ons moeten realiseren dat de woorden vaak een onhandige en onkundige uitdrukking zijn van ons dieper gelegen behoefte. We willen eigenlijk zeggen: “Ik heb behoefte aan erkenning”, maar in plaats daarvan zeggen we: “Jij negeert me, je maakt dat ik me rot voel” met als gevolg dat de ander zich door de aanval ook rot voelt en rot doet. Wat we volgens Rosenberg nodig hebben om ‘achter de woorden’ te kunnen kijken is mededogen. Hij beschrijft het hebben en tonen van mededogen als een proces bestaande uit vier componenten:

  1. waarnemen van gedrag zonder oordeel;
  2. herkennen van gevoelens;
  3. de onderliggende behoeften zien;
  4. het formuleren van een verzoek om die behoefte te kunnen bevredigen.
Neem nu de volgende situatie:

Je partner is boos op je. Het botert niet zo tussen je moeder en hem. Hij vindt dat je moeder zich teveel met je leven bemoeit (jij vindt dat ook). Je zou haar ’s flink de waarheid moeten zeggen. Hij zegt tegen je: “Je bent een zacht ei!”.

Nu kun je vrij makkelijk in een situatie terecht komen waarin je je aangesproken voelt en je gaat verdedigen of rot terug gaat doen.

Iets van: “Ik ben helemaal geen zacht ei, maar het is wél mijn moeder”. Of “Nee, jíj bent assertief, jij doet toch ook niets!!”. Of “Ik ben misschien een zacht ei, maar dat is tenminste beter dan een belerende meester”. Nou ja, er zijn legio mogelijkheden om het uit de hand te laten lopen.

Maar je zou je ook zijn uitspraak (dat je een zacht ei bent) helemaal kunnen zien als iets waar jij buiten staat. Je dus niet gaan afvragen of het waar of onwaar is wat hij zegt, maar focussen op dát hij dit zegt en dat daar kennelijk  bepaalde gevoelens en behoeften onder liggen.

  1. Neem eerst sec zijn gedrag waar: Hij is verhit en noemt je een ‘zacht ei’.
  2. Probeer je in te leven in welk gevoel daaronder ligt: Hij irriteert zich aan je opstelling naar je moeder toe. Het zou kunnen dat hij het rot vindt om je te zien lijden onder de controle van je moeder. Misschien frustreert het hem dat je niet directer bent of dat je geen grenzen aangeeft. Misschien is hij je verhalen over je moeder zat. Je zou iets kunnen zeggen in de trant van: “Jij bent dit hele gedoe met mijn moeder een beetje zat, hè?” of “Volgens mij frustreert het je dat ik me anders naar mijn moeder opstel dan jij zou willen”.
  3. Probeer vervolgens ook te zien welke onderliggende behoefte hij heeft: hij wil je helpen om blijer te zijn, hij wil dat je moeder begrijpt welke invloed ze op jullie heeft, hij wil van het gedoe met de schoonmoeder af en misschien wil hij ook dat het in jullie relatie over jullie tweeën gaat en niet altijd over de relatie met je moeder. Je zou je vermoedens over zijn behoefte kunnen uitspreken en vragen of dat klopt. Mochten ze niet kloppen, dan hoor je vanzelf wel wat die behoefte wel is.
  4. Als laatste kun je een ‘verzoek’ formuleren richting het bevredigen van die behoefte. Je kunt alle kanten op want het verzoek is ook afhankelijk van je eigen behoefte. Het is dus zoeken naar een situatie waarbij jullie er allebei op vooruit gaan, dus waarin zowel zijn als jouw behoefte worden bevredigd. Je zou kunnen zeggen: “Ik wil die dingen eigenlijk ook. Wil je me helpen om na te denken hoe ik dat kan doen, zónder de relatie met haar op het spel te zetten, maar ook zonder dat ik mezelf voorbij hoef te lopen?”

Grote kans dat het gesprek prettiger verloopt, dat hij voelt dat je bereid bent om samen met hem een oplossing te zoeken. Én dat jullie ook echt op weg zijn gegaan naar een oplossing.

Mededogen en empathie doen echt iets met onze energie. Niet alleen omdat we andere taal gebruiken, maar ook omdat mededogen maakt dat we ons willen verbinden. Wie liefde doet, liefde ontmoet, zoiets. Je wordt zelf meer ontvankelijk voor welk gedrag dan ook. Scheldkanonnades zijn ineens beter te verdragen wanneer je niet inhoudelijk luistert, maar kijkt naar wat erachter ligt. In plaats van je bedreigd en negatief te voelen, word je nieuwsgierig en juist geneigd om de ander te helpen.

Taal hóeft dus niet meer kapot te maken dan je lief is. Zolang je je maar richt op de wereld onder die taal.

Meer weten over geweldloze communicatie?

Een mooi filmpje van Rosenberg vind je hier.

Maakt taal meer kapot dan je lief is?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *